Spekvriend: “Oh, amai, ik heb koude voeten!”
dR!En: “liefje toch…”
Spekvriend: “Misschien moet ik mijn schoenen uit doen.”
dR!En: “Hu? Denk je dan dat dat helpt?”
Spekvriend: (BLOEDserieus) “Ja… als de kou in mijn schoenen zit…”
dR!En: slappe lach
Ik heb vannacht gedroomd dat ik Witse was. Spannend!
Een wegpiraat had een poes doodgereden en was verdwenen met de noorderzon. De schoft. Enfin, toen werd ik -Witse dus- opgebeld. Ik was alert, dik, klein en een beetje nors. Na veel speurwerk had ik de boef geklist. Het bleek de uitbater van pittazaak “Metro” bij ons om de hoek te zijn die het arme dier platgereden had. Daar zet ik geen voet meer binnen.
En nu ben ik moe, mager, groot en een beetje nors. Zoals gewoonlijk.
Nu weet je tenminste hoe dat komt.
Makkers staakt uw wild geraas. Zonder Piet geen Sinterklaas.
Voor zover ik weet, is het niet de Sint die lenig en gezwind over de daken galoppeert. De beste ruiters staan immers aan wal. Een paard, een staf, een mantel, een mijter,… dat neemt een mens niet mee op een dak, geloof mij. Neen, ik weet zeker dat het de gebronzeerde jongens zijn die het stunt- en vliegwerk doen.
Via het dak van de buurman ben ik naar een ander dak gesprongen om dan met een ladder 10 meter lager op onze binnenkoer te belanden. Heelhuids. Ik ben nog nooit zo blij geweest met onze gammele achterdeur. Als een Zwarte Piet dit toevallig zou lezen: het is een veilige route. Pintjes staan in de ijskast.
Een paard, een staf, een mantel, een mijter,… dat neemt een mens niet mee op een dak, geloof mij.
Vroeger hadden wij twee van die fluiters in huis: Flip en Flap. Ik was er bang van. Ik was bang van alles dat kon vliegen -inclusief muggen en vlinders- dus daar konden die vogels niks aan doen.
Al bij al waren het mooie pieten. Ik vond het dan ook erg jammer toen ze stierven. Erg tragisch ook: Flip beet Flap dood, en daarna is die eerste gestorven van eenzaamheid.
Nu ik mijn vliegangst overwonnen heb, voel ik mij wel klaar voor zo’n dier. Maar het mag niet van mijn vrouw. Het mag niet. Nee nee nee spekvriend, het mag niet. Niks van!
De Kempen. Ge krijgt dat niet meer uit uw lijf. Ook al woont ge een jaar of acht in de grote stad waar melk uit karton komt en een peeke uit de winkel; ge vergeet niet dat ge van de Kempen zijt. Uw accent, spierkracht, intelligentie, kennis van koeien en interesse in pikdorsers helpen u daaraan herinneren. Geloof mij.
Vrijdag zat ik op de trein naar Tielen (think Kasterlee – Lichtaart – Gierle) te luisteren naar het accent van mijn medereizigers en toen dacht ik: howjom da hee toch wel iet. Drie studentinnen waren aan het roddelen over een vriend: “Diejen is ok nie nomaal ze. En kei lellek. Ge mut merris zegge dattem zeneige wa beter mut vuuge. Den dalk.” Ik hoor ze dat graag zeggen.
Ook toen ik gisterenavond op bierexcursie naar Herselt (think Westerlo – Zoerle Parwijs – Blauberg) afzakte, sijpelde het sappige dialect in mijn oren. “Liekes zinge, liekes zinge, iejene hie en iejene doa.”
Soms vraag ik mij af, hoelang het duurt voor ik ‘t Stad beu zal zijn en terug naar de Kempen wil. Ik woon graag in Antwerpen voor de nachtwinkels, de trams en de smeltkroes. Voor de beweging.
Maar soms mis ik wel een koe in mijn leven. En sappige woorden. En parkeerplaats. En pikdorsers. En een bos. En stilte.
Films van de jaren ‘50 zijn traag en fak. Sinds gisteren weet ik dat.
Dankzij Angela en Sarah van Durga Filmfestival hebben we een verfilming van Devdas gezien uit 1955, de versie van Bimal Roy. Hindi gesproken en Engels ondertiteld. Graaf. En spannend.
Ge hoort die projector draaien en het geluid klinkt krakend door de speakers. Gelukkig heeft de antieke band de volle 160 minuten overleefd. En wij ook. Met zitvlakpijnen, maar toch.
Geniet even mee van een fragment waar de jonge Devdas en zijn vriendinnetje Paro, een nachtegaal bezingen: O Albele Panchhi.
Panchhi! Ik zit er al heel de nacht mee in mijn hoofd.
Zo schoon.