Films van de jaren ‘50 zijn traag en fak. Sinds gisteren weet ik dat.
Dankzij Angela en Sarah van Durga Filmfestival hebben we een verfilming van Devdas gezien uit 1955, de versie van Bimal Roy. Hindi gesproken en Engels ondertiteld. Graaf. En spannend.
Ge hoort die projector draaien en het geluid klinkt krakend door de speakers. Gelukkig heeft de antieke band de volle 160 minuten overleefd. En wij ook. Met zitvlakpijnen, maar toch.
Geniet even mee van een fragment waar de jonge Devdas en zijn vriendinnetje Paro, een nachtegaal bezingen: O Albele Panchhi.
Panchhi! Ik zit er al heel de nacht mee in mijn hoofd.
Zo schoon.
Vroeger werd Tien om te Zien uitgezonden op donderdagen. Dat was geen toeval. Mijn moeder poetste die dag immers de living en de keuken in het ouderlijk huis. Met spekvriendje wist ze geen blijf.
En toen hebben Mike en Guido een nieuw programma bedacht met schone teksten en schone muziek, ter mijner entertainment. Ik heb daar veel uit geleerd! Helaas kan ik zo meteen niet op iets komen, maar het was veel. Dat staat vast.
Gezien op appelogen: een fijn filmpje van Jasper Van Gestel.
Hij heeft gelijk over de hele lijn: ‘t is goed wonen in 2060. Het enige wat deze buurt verzuurt, zijn de kortzichtige Vlaams Belangers met hun lompe opmerkingen over onze kleurrijke buren.
Wullie houwen ook van dees buurt, Jasper.
Check ook de andere filmpjes van heer Van Gestel, ‘t is de moeite.
Volgens Wikipedia danst John Belushi de Hully Gully in the Blues Brothers, helaas zonder Josefien. Ook de wereldhit “Wooly Bully” zou oorspronkelijk Hully Gully geheten hebben. Nu was ik toch benieuwd hoe die dans eruit ziet. Zo dus:
Wie deze vlotte swinger onder de knie wil krijgen, koopt best een hele grote vlag en volgt dan de basisstapjes in dit line-dancefilmpje.
In een band spelen is vet. Niks is beter dan de honderden groupies, kilo’s drugs, liters drank en jutten zakken vol geld die na elk optreden klaarstaan.
Maar er zijn dus ook minder leuke kantjes. Organisatoren zijn bijvoorbeeld steeds bijzonder creatief met de backstage. Een kolenkot, een blokhut (for real), de doucheruimte van een fitnesscentrum; ik schrik nergens meer van.
Gisteren bijvoorbeeld in een schitterende tent gespeeld (zie foto) met een spetterend rommelkot als backstage (zie ook foto). Slijpschijven, verstekzagen, haakse slijpers, rioolbuizen; het was er allemaal.
Prachtig en oncomfortabel. En jammer.
Ook technisch loopt er wel eens wat mis. Fluitende micro’s, rammelend string-reverb, snaren die breken, gordijnen die in brand vliegen; ik schrik nergens meer van.
Gisteren bijvoorbeeld in een schitterende tent gespeeld (zie foto dus) waar de elektriciteit zeven keer is uitgevallen tijdens het optreden. Sfeervol en oncomfortabel. En jammer.
Maar het kan steeds erger. Gejost worden door de manager bijvoorbeeld. The Turtles, still happy together, weten er alles van:
Booker P, we’ll be watching you!
Morgen alweer muzikaal plezier. Hopelijk valt de backstage wat mee.
Ik hoop op een blokhut.